donderdag 21 juli 2011

De Dichter en ik

Ik dicht niet om de tijd te doden
Niet om mijn hart te laten gaan
Niet uit mijn diep verkrampte noden
Of om mijn vijanden te slaan

Ik dicht omdat er geen ander is
Dan de Dichter, in wie ik mij herken
Niet omdat hij zo schrander is
Verslagen, leunend op zijn pen

Ik dicht niet uit een groot vertrouwen
In de schone muze, mij toegezind
Niet om mijn oeuvre uit te bouwen
Of heimwee naar het verloren kind

Ik vecht als hij, met hetzelfde wapen
Hij lijdt als ik, aan dezelfde kwaal
Wij die onszelf bijeen moeten rapen
Als trieste flarden van een slecht verhaal

Wij samen uit het niets geboren
Het onvermogen bracht ons tot stand
Wij raakten in onszelf verloren
En kwamen beiden tot aan de rand

Van het onvoorspelbaar zwart
Waarin wij in de diepte keken
Waarvan de anderen zeer verward
En zeer verschrikt zijn teruggeweken



Origineel

Probeer niet origineel te dichten
Je bent niet steeds een ander mens
Want achter al je clownsgezichten
Gloeit nog steeds die ene wens

Die geen pen kan achterhalen
En die altijd verder uitgediept
Enkel helderder gaat stralen
Of je nu huilt, of stil geniet

Je kunt geen poëzie bereiken
Door het nieuwe toverwoord
Niet door geëngageerd te lijken
Door te dichten, ‘zoals het hoort’

Dichten is geruisloos schreeuwen
Inkt die vloeit als hartenbloed
Als het voelt als dood of leven
Dan pas gaat het dichten goed!

Thee gezet

Wat heeft ‘t gevoel, voor ander doel
Dan zichzelf maar uit te breiden?
Nerveus geschrijf, de vingers stijf
Om de dromen te bevrijden…

Wie kan voldaan, te ruste gaan
Zonder een stiekem verlangen
Dat de geest, die ‘t donker vreest
Zal verdrinken in gezangen

Om over de grens; sterfelijke mens
Het verlangen te aanschouwen…
En uit je bed - de thee gezet -
Dan drinkt in diep vertrouwen

vrijdag 1 juli 2011

Verwonderd


Verwonderd meer te kunnen winnen
Door verlies dan zegepraal
Kom ik langzaam tot de zinnen
Van de ware mensentaal…

Dichter tot mijzelf genaderd
Door kwetsbaarheid dan zekerheid
Spreek ik zachte ware woorden
En win een makkelijke strijd



Jouw te hulp te snellen

Ik zal je niet, om jou te hulp te snellen
Van mijn eigen mislukkingen vertellen                      
Ik zal niet met je huilen, zeker niet
Er is maar al te veel erkenning voor verdriet

Nooit, zal ik me boven je stellen
Je niet beleren en ook geen oordeel vellen
Heel zacht, maar ongenaakbaar zal ik zijn
Een toevluchtsoord, een wereld vrij van pijn

Ik zal je niet je zelf laten kwellen
Je zelf toegebrachte wonden laten zwellen
Je laten geloven in de liefde, doe ik niet
Je moet niet dromen, maar geloven wat je ziet!

Ik zal geen liefdes-alarmlijn voor je bellen
Geen mens kan dit proces voor jou versnellen
Je moet vertrouwen op de pijn, op het verdriet
En dan geloven……..Liefde is dit niet!


Mijn wil tegen de jouwe



Zo klein als je bent
Toch ga je het winnen
Ik ben reeds nerveus
En het moet nog beginnen

Dit bordje met pap
Scheidt mij van de vrede
Wanhopig ga ik voort
Met mijn dwang en smeekbede

Met rammelaars en spelletjes
Met liedjes en een fluit
Enkele happen gaan naar binnen
Tot ik op de muur stuit

Van jouw stenen niet willen
Van je tanden-op-elkaar
Ik worstel nog verder
Maar de onmacht is daar

Je trekt aan de lepel
En slaat in het bord
Ik ga door met een strijd
Die steeds smeriger wordt

De eindfase nadert
Ik vrees voor de signalen
Jouw gevaarlijke hoestjes
Die de pap terug gaan halen

Genade! Spuug het niet
Op je truitje, op je bord
Waarmee alles in één klap
Tot zinloosheid wordt…


Mooie droom

               

                     Hier lig ik, uit de droom ontwaakt
Waarin de liefde mij vervulde
En de schoonheid van alles onthulde
Van wat door liefde is aangeraakt

Even door het gevoel bevrijdt
Dat langzaam aan weer zal vervagen
Om plaats te maken voor lange dagen
Van een stroevere werkelijkheid

In mijn hart gloeit het nog na
Ik ben geliefd, wordt niets verweten
De engelen zijn mij niet vergeten
Denk ik, als ik mijn bed uit ga

Langzaam glijd ik in de dag
Met lange roltrap naar beneden
De metro is net weggereden
Terwijl ik nog tevreden lach…





Slapeloos



Tussen donkere muren, beleef ik de uren
Van eindeloos gerekte tijd
Proberen te slapen, zachtjes te gapen
Te verzinken in vergetelheid

In het duister turen, en straks bezuren
Ieder uur dat nu verglijdt
Naar loomheid smachten, ellendig wachten
Totdat het morgenlicht bevrijdt



 
 

Uitgedoofd



Hoe blijf ik hier gevangen
In verlangen om te spreken
                                              De stem die uit de diepte klonk
Is al lang van mij geweken

Hartstocht heeft zich uitgedoofd
De scherpte ging verloren
De onverschilligheid regeert
Er resten slechts de sporen…

Woorden zonder zeggingskracht
Een lichaam zonder geest
Wat haat ik toch het dichtersvak
En ik haat mijzelf het meest!



Droombeeld


 
Wat zijn dat voor wolken die onze harten verduisteren…
Ergens schijnt de zon in zijn eeuwigheid
Maar zijn stralen bereiken de aarde niet
Zijn onze momenten van verbinding waarheid?
Zijn stralen door de kieren
van de witte zwevende massa
die zichzelf al drijvende vormt
de voorbodes van het licht dat zal zijn?
Of is waarheid de zachte vrede
van berusting
die lieflijk neerkomt als een deken
van tedere herfstregen
die fluistert
dat ook de zon maar een droombeeld is . . . .






Zonder hoofd



Kon ik mijn hoofd verliezen
dan gingen sluizen open
En kostte het geen moeite
van mijzelf over te lopen

Als ik vanzelf kon vloeien
los en onberedeneerd
Niet telkens door de regels
van het verstand gecensureerd

Dan kon de greep verslappen
op mijn toekomst en verleden
En zou ik overstromen door
de stromen van het heden


Zeldzame dichter - Ode aan Jean Pierre Rawie



Zeldzaam scherp zijn de woorden
Helder en zuiver is het beeld
Eén denkend mens tussen gestoorden
Eén dichter die mij niet verveelt

Een echo van een oude luister
Een lang vergeten koninkrijk
Er is maar één naam die ik fluister
En met de Groten vergelijk

Die tot ons heden niet meer spreken
Omdat geen hart ze nog verstaat
Gesmoorde stemmen in een deken
Van nihilistische middelmaat

De Groten die ons wilden zeggen
Zoek alleen wat diepgang heeft
Vervloek de wereld en zijn leugens
Die glimlach die je leegte geeft”

Wereld van verloren waarden
Kunstmatig leven, flauwekul
Narcistisch naar zichzelf starend
Van dood of liefde geen benul

Hier is er één die blijft verheffen
Hij smeedt de woorden sterk aaneen
En wat de dwazen niet beseffen
Dat belichaamt hij alleen




Woordenschat



Erg veel nieuwe woorden vond ik niet
Als altijd bleef mijn woordenschat wat klein
En ook, heb ik nog steeds ‘tot mijn verdriet’
Mij niet bekwaamd in een echte vorm van rijm

Geen sonnetten, geen rondelen, van mijn pen
Het schrijven gaat nog steeds op het gevoel
En toch, met het weinige dat ik ken…
Kom ik steeds dichter, bij dat wat ik bedoel 



 

Vreemde schoonheid



Afscheid nemen van jouw schoonheid
De grootste kwelling die er is
Die wereld die ik nooit zal kennen
Een onbeschrijfelijk gemis

De woordenvloed in mij verzwegen
Drukt mij zwaar en ik heb spijt
Waarom kan ik je niet vertellen…
Waarom niet van mijzelf bevrijd?

Afscheid nemen van een vreemde
Schoonheid doet het meeste zeer
Mijzelf te straffen met het weten
Dit was niet alles … er was meer!





Liefde



Wat je denkt van liefde te weten
Dat zou je met liefde vergeten
Als je in de oceaan werd gesmeten
Van het spiritueel gemoed

Want de jammerende kreten
Van je hart opengereten
Wat je anderen hebt verweten
Is wat je zelf doet…

Hoe jij voor de wereld wilt heten
De angst om te worden vergeten
Het blijft toch aan je vreten
Al houdt je jezelf zoet

Met zoveel opwindende dingen
Met lachen, dansen en zingen
Om die vreugde er uit te wringen
Waar je steeds naar zoeken moet

Je verliest je in het streven
En de droom die maar blijft leven
Dat de ander je het zal geven
Breekt in jou de moed…



Realisme




Hoe schitterend concreet, is het leven der realisten
Beslissen is gemakkelijk, de feiten zijn hard
De objecten verschijnen, zo echt en zo tastbaar
en worden maar zelden met iets anders verward

Voor mij, een mens van dromen en gedachten
zijn de stenen straten plooibaar en zacht
De veranderlijkheid van elk ding, elk wezen
maakt alles ongrijpbaar en steeds onverwacht

Hoe helder zonder twijfel, het leven der realisten
De wereld leidt hen, met gebeurtenissen de weg
Waarheid reikt slechts tot waar ogen kunnen kijken
Wat zich niet herhaalt, is voor eeuwig weg

Wie ontkent de feiten, dit stenen plein,
deze stalen machines die iedereen vreest
Zij lijken gedreven door een eigen leven
en nooit geboren, uit een denkende geest

Wie zal beamen wat groeit in mijn gedachten
Wie gelooft in wat zacht is, de ongeboren vrucht
Wie beslist wat mag blijven, verharden tot echtheid
of jammerlijk verdwijnen, als de wind met een zucht





Vaarwel














Vervuld is het verlangen
De voltooiing is nabij
De laatste woorden vloeien
in dit feest der schrijverij

Andere plichten roepen
Ik zeg deze plaats vaarwel
In stilte gaan gedachten verder
Na het luiden van de bel

Is er leegte, open vrijheid
Niets, raakt aan het wit papier
Dromen zullen zich vertellen
Ergens anders, ver van hier…



Onschuldige dader



Dit grote lichaam, jou welgezind
Een plek om bij te schuilen
Zekerheid, te worden bemind
En de vrijheid om te huilen

Een kleine deken kan volstaan
Mijn lijf zal jou verwarmen
Ik ben een sprekend, levend bed
Met veilig sluitende armen

Je kleine neusje vol met snot
Smeer het maar aan je vader
Wie kan er enige boosheid voelen
Naar zo’n onschuldige dader?




Mijn verdwenen gedichten



Ik breng een groet aan de gedichten
nooit geheel door mij gevangen
Gedichten vroeg verstoten
door mijn dwingende verlangen

ze vast aan mij te binden
in het keurslijf van mijn zinnen
De lust om toe te eigenen
vermoordde het beminnen

Ik breng een groet aan de gedichten
juist op tijd aan mij ontvlogen
Met goed recht van mij afgekeerd
en mijn poëtisch onvermogen



Laat ze slapen



Laat ze slapen, zij die niet willen ontwaken
Laat ze slapen, in hun ondergrondse gang
Je hoeft ze niet te prijzen of te laken
Te vermaken, met gitaarmuziek of zang

Ze willen niets dan de oude liedjes horen
Zo vertrouwd, zo zeker en zo zoet
Je gave zou het ritme slechts verstoren
Alleen het ritme, het ritme dat is goed

Maak niet los, wat vast heeft kunnen groeien
In die jaren van gewoonte en van pijn
Dat men trots, op de sloten en de boeien
De bevrijder, zal onthalen met venijn

Kom niet aan, met een beker vol van leven
Wie vol zijn van zichzelf, hebben genoeg
Probeer geen antwoord; verklaringen te geven
Als er niemand was, die ooit iets aan je vroeg…


Klote winter


Klote winter, kolere kou!
Alles is hier grijs en grauw
Waar is nu - ‘ik hou van jou’-
Liefde die nooit verdwijnen zou?

Ervaring komt, ervaring gaat
t is nooit te vroeg en nooit te laat
Alles is in een volmaakte staat
Voor wie het heden niet verraadt

Maar liefde lijkt nu zo ver weg
Zo leeg, de dingen die ik zeg
Ik geloof niet in geluk of pech
Voor gemakzuchtigen een weg

Maar in verbijten van het leed
Elk jaar dat ik mezelf vergeet
De heisa om een muggescheet
Terwijl ik zoveel beter weet…





Ik geef het toe



Je bent slechts een deel van de wereld
Een goed deel
dat geef ik toe…
Maar de wereld waar ik naar verlang
is groter
Groter dan jouw heldere ogen
Langer dan jouw golvende haar

Fijner dan de subtiele schoonheid
van je mond
Geurender dan de vriendschap
Tussen het parfum
en je zachte huid
Speelser dan de vrijheid
van jouw lachende gebaren

De wereld waar ik naar verlang
is groter
De nieuwsgierigheid
die me prikkelt
is groter
De dromen die ik koester
zijn groter
Maar voor even blijf ik staan

Als betoverd
Ik geef het toe…





Ooit komt het moment....


Als je rond doolt, in die koude donkere dagen
En je zegeningen meetorst als een vloek
En niet anders kunt dan vluchten en versagen
Weet dan, dat Ik je nog niet zoek…

Als je het licht in je ziel nog ziet als duister
Overweldigt, door de schittering der schijn
Niet de stilte zoekt, waar Ik geduldig luister
En de liefde nog verstaat als zwak en klein…

Als je tekort hebt, aan wat jou is toegemeten
Je blijft klagen en twijfelt aan je lot
Jouw uniek zijn – ver van je gesmeten
En daar jezelf en de wereld mee bedot…

Ik laat je nog voorbij gaan in die dagen
Want al heb je me slechts op een haar gemist
Ooit komt het moment dat je zult slagen
En jij begrijpt, dat Ik van alles wist




Ga door



Ga door, ga door, de weg is goed!
Denk niet aan wat je hebt gebloed
De waarheid ligt in wat je doet
Niet in het eindeloze gewroet
In ‘t veel te snel verstoord gemoed
Dat alle pijn weer over doet

Levensvreugde vraagt om moed
Breng de wereld dus je groet
Grijp je kansen, nooit vermoedt
Ga door, ga door, de weg is goed!




De Dood



Niet aan het einde van de weg
Zal de dood mij komen halen
Hij woont reeds hier in de kanalen
Van mijn onrustig stromend bloed

In mijn toegeknepen hart
In elke vezel van dit lijf
Heeft de dood al zijn verblijf
En doet hij zich aan mij tegoed




Als ik dood zal zijn



Als ik dood zal zijn en jij
de herinnering aan mij zult erven
Vergeet dan de laatste aanblik
Gooi dat beeld aan scherven

Herinner je niet mijn laatste woorden
De ijlende onzin die ik sprak
Al was het zot of hoog verheven
Gemompel van een stervend wrak

Wat ik was, was ik bij jou
Warmbloedig als het leven
Niets werd ooit geheel vervuld
De vreugde was het streven

Als ik dood zal zijn en jij
hebt niets meer dan mijn dromen
Vertel ze aan onze kinderen
En weet dat ik zal komen

In menige stille nacht…
Om jouw dromen te verrijken
En zachte woorden te fluisteren
Wanneer je bang bent te bezwijken