zondag 28 januari 2018

Aarde’s engelen






Aarde’s engelen 

Waarom komen de geesten niet uit hemelse sferen
De aarde bezoeken, als in lang vervlogen tijd-
Van heilige schriften en oude verhalen
Is de hemel nu verder? Of raakten wij haar kwijt?

Vaak staarde ik naar de zonsondergang met wolken
Wuivend als banieren van een gastheer die verdween
Om een glimp op te vangen van de vlinder die scheerde
langs de grens van de gloeiende luchten heen

En vaak, als verre sterren in de nachtelijke koude
Daar geduldig brandden, luisterde ik laat en lang
Maar de polsslag der Natuur, in haar plechtige stilte
Gaf geen echo van de Serafijn zijn zang

Werd aan Bethlehem’s hemel 't laatste lied geschonken
Bij die Ene ster - die alle anderen verbleekt?
Was hun aanwezigheid bekend in de cel van Petrus,
Of op de plaats waar de lyrische martelaar bezweek?

Zijn ze allen achter een gordijn verdwenen?
Nu geen vleugel glinstert in het hemelse licht;
Menig traan mocht er van het mensenoog vloeien
Met de hand van een engel op een sterfelijk gezicht

Nee; de aarde heeft engelen in kleivorm gegoten
Zoals alles hier beneden, van hetzelfde gewicht
Al ontbreken de harpen en zijn vlinders gevouwen
We herkennen de liefdesglans op hun gezicht

Ik heb engelen gezien, bij de zieke naast zijn kussen
Met hun zachte stem en geluidloze tred
Waar getroffen harten hingen als de wilgen
Staand, tussen de rouwenden en het lege bed

Als mijn blik door de aardse dofheid gehinderd
In de lucht geen zwevende cherubijnen zag
Twijfelde ik niet, dat hun hemelse zegen
Op de vleugelloze wachters hier beneden lag

Er waren engelen aanwezig in het duistere gevang
In drukke hallen, - in de weduwe haar hart
Waar zij passeerden, konden de gevallenen opstaan
En werd de wanhoop van de rouwenden ontward

Ik zag hoe iemands indrukwekkende spraakkunst
In een mensenhart rijke weerklank vond
-nieuwe hoop kon groeien voor de onderdrukten-
omdat hij verlokking van rijkdom en macht weerstond

En aan zijn zijde bewoog een mooie verschijning
Die bloemen strooide op zijn levenspad
Zachtmoedig naar haar opkijkend, noemde ik haar ‘engel’
De vrouw die hij altijd had liefgehad

Vele geesten lopen verwaarloosd op aarde
Die zonder sluier van droefheid - wonderschoon
weer zullen opstijgen als onbelemmerde vlinders
En hun glorie dragen als een sterrenkroon!


(Vrij vertaald uit het Engels. Het gedicht is
van een onbekende auteur, geschreven vóór 1849.-
Unitarian Congregational Register 'Earth's Angels')